Het wonderbaarlijke einde van Hinny Puts

Hinny Puts is niet kapot te krijgen, en ik kan het weten, want ik heb het geprobeerd. Niet rechtstreeks natuurlijk, ik ben niet gestoord. Ik heb haar gewoon zodanig ver gedreven dat ze dood zou zijn gegaan, als dat kon. En, ik zeg het u: het kan niet.
Haar pezige, kleine lijf is steenhard. Haar uithoudingsvermogen kent geen einde. Haar alertheid is totaal. Standvastig. Ze is de beste vechter die ik ooit kende. De enige vechter die ik ooit in dienst had.
Op een bijzonder slechte nacht, in de moerassen van Tregnau, dacht ik dat we eraan waren. De demonen van Midnog dreven ons al maandenlang dieper de Barre Landen in en onze rantsoenen waren min of meer op. De laatste supermarkt die we waren tegengekomen, lag inmiddels honderd mijl achter ons.
Ik weet nog dat ik het opengetrokken blauwe plastic van het laatste pak beschuiten bekeek met een honger die me beschaamd maakte. Ik had net de laatste beschuit op, en had nu een onvoorstelbare zin om de achtergebleven kruimels met de top van mijn wijsvinger van het plastic te prikken en ze er een voor een af te zuigen.
‘Doe maar,’ zei Hinny Puts tegen me, terwijl ze op haar hurken zat om een rookloos vuurtje aan te maken. Ze had bij mijn weten al meer dan negentig dagen niet meer gegeten. Dankbaar prikte ik de laatste kruimels weg, me verwonderend over haar onuitputtelijke kracht. We kwamen eruit natuurlijk, uit de Barre Landen. Met Hinny kom je altijd overal uit.
Want dat is wat ze doet.

Maar dat is nu allemaal maanden geleden. En het lijkt langer dan dat. Het lijkt jaren geleden. Ik draai het dopje van de zonnemelk los en knijp een grote klodder op mijn bovenbeen. Terwijl ik mezelf insmeer, hou ik Hinny nauwlettend in de gaten. Ze loopt rusteloos heen en weer langs de rand van het zwembad, met haar blik op de oceaan.
Soms denk ik dat Hinny zich hier zo rot voelt dat ze stiekem dingen stuk maakt. Zo vond ik afgebroken rozentakken onder haar bed, en scherven van een porseleinen servies in haar nachtkastje. Ik vrees dat zij dat deed. En ik weet niet wat ze nog meer gaat doen, maar ik hou mijn hart vast.

Ik had nooit gedacht dat ik deze plek zou bereiken. Dat durfde ik niet te hopen. Deze klif beheerste mijn dromen en visioenen gedurende de laatste drie eeuwen. Vanaf mijn twintigste, ongeveer.
Alles wat ik deed, alles in mijn hele leven, was erop gericht om hier te komen. Alles. Ik schuif het zware boek met toverspreuken een beetje opzij en kijk naar het hakje in het tafelblad. Ik ken dat hakje. Het is er gekomen omdat iemand ooit zijn glas gele limonade omstootte op deze tafel. Tijdens een verjaardagsfeestje. Het glas brak en maakte een hakje in het blad.
Zo is het met deze plek. Ik ken iedere vierkante millimeter ervan uit mijn hoofd. Ik weet niet hoe dat komt. Ik heb het gevoel dat ik hier al eerder was, misschien alleen niet op een letterlijke manier. De acht die in mozaïek op de bodem van het zwembad is ingelegd. De flamingo’s rond de lage vijver aan de Westkant van het grote witte huis. De mat met ‘welkom’ erop, en dat die aan één kant een beetje is afgesleten. De witte fontein met de engeltjes. Ik ken het allemaal.
Dit is mijn eindpunt. Ik hoef nergens meer naartoe. Toch niet op dezelfde manier als eerder. Want ik ben er al. Ik ben er al. Nu. Hier. Mijn levensopdracht is volbracht, en nu kan ik iets maken. Daar bovenop. Nu kan ik mijn magie gebruiken om iets te creëren, en niet alleen om te overleven. Niet alleen om hier te geraken.

Hinny is gestopt met haar heen en weer lopen. Ze staat met haar handen in haar zij over de oceaan uit te kijken. Maar er zullen geen aanvallers komen. Want hier zijn geen aanvallers. Alles is hier veilig. Hinny Puts komt duidelijk tot dezelfde conclusie: wat verweesd begint ze om zich heen te kijken. Ze is een zeer kwade, zeer zwarte, zeer gespierde vlek in een decor van pastel. En dan gebeurt het. Ze kijkt me aan, en ze doet iets zeer ongewoons: ze zucht. Het is een lange ademstoot waarbij ze alles eruit laat. Daarna legt ze haar hand op haar hart, op haar mond, en ze gooit me een kus.
Ik sta zo snel recht dat de tafel omvalt. Ik ren naar haar toe. ‘Hinny, neen!’ roep ik. Ik weet wat ze gaat doen. Ik weet het. Maar ze doet het toch.

Hinny Puts stopt met leven. Ze stopt, en ze valt voorover, tuimelt recht het zwembad in. Ik hoef niet tot aan het zwembad te rennen om te weten dat ze stierf nog voordat ze het wateroppervlak raakte.
Zoals alle magische wezens in mijn dienst wist ze dat ze mij onherstelbare schade zou berokkenen als ze langer zou blijven dan nodig was.

Waarheden

De kamer is grijs en glanzend wit. Ze zit vol met warme lucht. Er is te veel lucht in deze kamer. Ik krijg mijn adem er niet aan onttrokken. Het infuus drupt gestaag, als een soundtrack die de beslotenheid van deze plek onderlijnt.

Er is geen gevaar. Enkel kwetsbaarheid. Familie.

De zoete verveling van samen iets dragen.

De tv braakt een hele ochtend kinderprogramma’s. Dit wordt een lange dag.

Maar je bent er, ineens. Je loopt de gang in als een anomalie. Ik weet niet hoe ik me moet gedragen. Ik weet niet wat ik moet doen. Snap je.

We praten. Je gaat zitten.

Je gaat zitten dus.

En daarom denk ik.

Er zijn twee dimensies waarbinnen deze dag verloopt. Er is de glanzend witte traagheid van de tv en van dat alles. En er is de heldere snelheid van jou. Zelfs wanneer je je kin op mijn knie legt en toelaat dat ik je haar streel, kwartieren aan een stuk, adem je snelheid uit.

Je blijft, als een wild dier dat blijft.

Achteraf ren je, mijn diep inademende, jonge jongen, hard over de parking, en doe je gekke kunstjes met de rolstoel. Iedereen moet lachen.

Ik moet lachen.

Af en toe ontmoeten verschillende waarheden elkaar. Op die plekken wonen onzegbare dingen die fonkelen en met grote, zwarte ogen naar elkaar kijken. Dat is wat hier gebeurt.

Ik kan niet zeggen wat die onzegbare dingen zeggen.

Maar ze zeggen dat alles klopt.