De korrels van een peer

Laten we dit tafereel schilderen. Ik zal herfstbladeren zoeken, jij moet ze ervoor waaien. Want dat is wat je doet. Laat het ons een naam geven. Iets als ‘jij-en-ik-en-het-leven’. Zoiets.

Ja. Laten we van dit leven een verhaal van maken. Het volhangen met betekenissen. Het versieren alsof het iets magisch is waarop we geen vat hebben. Ik zal de kleine pelgrim zijn die briefjes met geheime wensen in de stenen hand van een godenbeeld verstopt. Ik zal de verteller zijn die een bloemenkrans van letters vlecht en het om de hals van alles legt. En jij. Jij zal zeggen: kijk, mijn vreemde verteller. Kijk: dit is het stormen van de zee, dit is hoe het is als je erin gaat. Maar hier, zal je zeggen. Dit is het leven als je erin bijt. Zo smaken de korrels van een oude peer, zo smaakt een handvol korrels van op het strand. En het zal jouw hand zijn. Want dat wil ik.

En ik, ik zal je laten zien wie je bent als ik je in letters weef. Ik zal je laten zien wie je bent. Ik zal je zeggen welke kleur de rommel in de auto heeft, ik zal weten hoe het is als ik een van onze dagen vertel in een weerbericht, in iets uit de Middeleeuwen. In een limerick. En jij zal in mijn vertelling vuur ademen. Want dat is wat je doet. En wat ik zeg zal buigen en smelten op sommige plekken, en op die plekken voller worden dan het al was. En het zal hetzelfde blijven op andere plekken, waar het al vol was.

Ja. Zo zal het gaan.

 

Skiën – één

De eerste keren gaan op aan de totaalimpact van dit: tientallen lockers die open – en dichtgaan, tegelijk doch zeker niet synchroon. Figuren aan de rand van mijn blikveld, gekleed in felle, harde kleuren die me bang maken. Materiaal. Er is zeer veel materiaal, het is hard en hoekig en het past niet in elkaar, en ik weet niet hoe ik moet onthouden wat ik allemaal moet pakken. Het allemaal tegelijk vasthouden is moeilijk. Me ermee voortbewegen lijkt absurd. Er is zeer veel lawaai ook. De figuren in de felle kleuren praten hard en lachen hard. Ze lijken tot een andere wereld te behoren. Ik wil daar zeker niet in. Ik wil skiën. Alleen maar dat. Maar niks is ooit alleen maar dat. Dat zou zijn hoe het gaat in mijn hoofd. En dit skiën gebeurt in de wereld. En uit mijn hoofd.

Centraal voor mij staan de skibotten. Die namen in mijn voorbereidende fantasieën zero plaats in. Nu zijn ze alles. Mijn voeten lijken op die van een cyborg, metaal en zwaar en vastgehecht aan mijn lichaam alsof ik ze er nooit meer af zal krijgen. Het stappen in deze botten neemt tachtig percent van mijn aandacht in beslag. Met het overschot van aandacht moet ik het materiaal onthouden en vasthouden, en ondertussen mijn badge scannen en door het draaiende poortje zonder iets te laten vallen. Dat lukt nooit, maar dat is niet erg. Ik kan me altijd bukken om iets van de rubberen grond te plukken.

Wanneer ik op de piste sta, is mijn taak voor die dag eigenlijk volbracht, weet ik. Er kan niets meer bij. Ik heb alles gedaan wat ik kon, en het was een goede, nuttige keer. Een mens moet echter proberen om een beetje normaal te doen, toch? Dus ik klik de cyborgbotten in de ski’s en schuif voorzichtig vooruit.

Ik hou van het wit, er is zoveel wit. En ik hou van de kou. Het maakt de drukte in mijn hoofd schoon. Ik hou van de stilte hier ook. Sneeuw, zelfs geconstrueerde sneeuw, maakt altijd alles stil.

In alle geval, samengevat: de eerste keren. Die gaan vooral op aan het materiaal.

 

(Er is ook een liftje. En ik kan blijkbaar echt vallen. Maar dat is een nieuw verhaal.)