Vliegmachine

Beeld je in dat je een vliegmachine wil maken. Je hebt een grote droom, vliegen. Je weet niet exact hoe het zal gaan, maar je weet wel dat de vliegmachine zal bestaan uit dingen die je aan elkaar naait. Dus je loopt door het donkere groene woud. Je voetzolen op het natte, zwarte zand. Je loopt daar in de lommerte van grote bomen en verzamelt stugge lappen stof, achtergelaten door wezens uit een andere tijd. Metaal ook, je bent niet dom. Iets kan niet vliegen zonder metaal. Je vijst glimmende, gebogen platen aaneen. Met grote bouten. Bouten waarvan je niet dacht dat je ze kon hanteren. Maar dat kan je wel.

Tussendoor neem je pauze. Dan lig je op je rug in de zon en kijk je naar de blauwe hemel. Droom-tijd. Want op de achtergrond hoor je het klepperen van de lappen stof tegen het metaal. In de zwoele wind klepperen de lappen. In hun onaardse pastelkleuren. Het klepperen is het geluid van een droom die je vertelt dat het kan. Je ligt in het woestijnzand te luisteren naar de wind. Alles wat niet bouwen is, is pauze. Want er is slechts één ding dat je wil. De vliegmachine afwerken.

Er is maar één ding dat je wil.

(Ken je dat, dat je iets aan het bouwen bent dat je overstijgt?)

Als je dan klaar bent, meteen daarna, begint de machine te ronken. Het is een zacht, melodieus en glimlachend gegrom dat de wind kietelt. Hé, denk je bij jezelf. Je zet je inmiddels eeltige handen in je zij en fronst. Hé, denk je. Ik wist niet dat dat zo ging klinken. Meteen, meteen daarna vangt de machine lucht en wind. Voor je het weet, hangt ze al ettelijke centimeters boven het woestijnzand. En al ettelijke centimeters meer. Je haast je, met de opgetrokken broekspijpen van je werktenue, in je uitgerafelde, vuile hemd. Je haast je. Je spullen liggen nog in het zand. Hé, denk je, ik wist niet dat die zo gauw echt zou werken. Zo meteen laat de machine mij hier op de grond staan! Maar als je erheen rent, helt ze naar je over en kun je er zo in hoppen. Het is makkelijk. Want je hebt ze voor jezelf gemaakt.

Het is makkelijk.

Als de machine dan hoog en vlot de lucht ingaat, alsof het niks is, alsof het NIKS is, als je dan echt vliegt.

Dat is een bijzonder akelig moment.

De korrels van een peer

Laten we dit tafereel schilderen. Ik zal herfstbladeren zoeken, jij moet ze ervoor waaien. Want dat is wat je doet. Laat het ons een naam geven. Iets als ‘jij-en-ik-en-het-leven’. Zoiets.

Ja. Laten we van dit leven een verhaal van maken. Het volhangen met betekenissen. Het versieren alsof het iets magisch is waarop we geen vat hebben. Ik zal de kleine pelgrim zijn die briefjes met geheime wensen in de stenen hand van een godenbeeld verstopt. Ik zal de verteller zijn die een bloemenkrans van letters vlecht en het om de hals van alles legt. En jij. Jij zal zeggen: kijk, mijn vreemde verteller. Kijk: dit is het stormen van de zee, dit is hoe het is als je erin gaat. Maar hier, zal je zeggen. Dit is het leven als je erin bijt. Zo smaken de korrels van een oude peer, zo smaakt een handvol korrels van op het strand. En het zal jouw hand zijn. Want dat wil ik.

En ik, ik zal je laten zien wie je bent als ik je in letters weef. Ik zal je laten zien wie je bent. Ik zal je zeggen welke kleur de rommel in de auto heeft, ik zal weten hoe het is als ik een van onze dagen vertel in een weerbericht, in iets uit de Middeleeuwen. In een limerick. En jij zal in mijn vertelling vuur ademen. Want dat is wat je doet. En wat ik zeg zal buigen en smelten op sommige plekken, en op die plekken voller worden dan het al was. En het zal hetzelfde blijven op andere plekken, waar het al vol was.

Ja. Zo zal het gaan.