Niet alleen bloed

Ik moet zoveel aan u denken, Jos. Nu ik een huis maak, moet ik zoveel aan u denken. Hoe groot uw handen waren, bijvoorbeeld. Daar denk ik vaak aan. U kon uw handen in een vuist ballen en dan probeerden we die open te prutsen. Dat lukte niet, en dat maakte u aan het lachen. Iedereen genoot zo van uw kracht. Ja, uw reusachtige handen. In uw werkhandschoenen.

Ik moet ook denken aan hoe u mij graag zag zonder woorden. Ik kende dat niet, voor ik u ontmoette. Uw graag zien bestond uit gyproc platen, zware boormachines en een bestoft gezicht. Uit het volproppen van onze auto met houten latten, vijzen en bouten.

Weet u nog dat u plintjes aan het verven was, en dat ik mee wou doen? Ik deed het niet goed, en u snauwde me af. In plaats van te blijven, trok ik me onmiddellijk mokkend terug op mijn kamer en keerde pas veel, veel later terug. Dat doe ik soms. Maar het kon geen kwaad. Er was weinig dat kwaad kon bij u. U nam deze donkere ziel die louter uit woorden bestond aan boord van uw groot zelfgebouwd stoomschip en bouwde er een tweede, voor mij. Zomaar. Ook dat kende ik niet voor ik u ontmoette. Dat zomaar.

Nu ik deze dagen op een ladder sta en muren afschraap, vodden uitwas, vloeren veeg, nu ik dat alles voor de tweede keer doe, denk ik aan alles wat u was, aan alles wat u mij toonde. Zo ziet u maar. Niet alleen bloed kruipt waar het niet gaan kan, als het over vaders gaat bijvoorbeeld. Ook liefde.

Vliegmachine

Beeld je in dat je een vliegmachine wil maken. Je hebt een grote droom, vliegen. Je weet niet exact hoe het zal gaan, maar je weet wel dat de vliegmachine zal bestaan uit dingen die je aan elkaar naait. Dus je loopt door het donkere groene woud. Je voetzolen op het natte, zwarte zand. Je loopt daar in de lommerte van grote bomen en verzamelt stugge lappen stof, achtergelaten door wezens uit een andere tijd. Metaal ook, je bent niet dom. Iets kan niet vliegen zonder metaal. Je vijst glimmende, gebogen platen aaneen. Met grote bouten. Bouten waarvan je niet dacht dat je ze kon hanteren. Maar dat kan je wel.

Tussendoor neem je pauze. Dan lig je op je rug in de zon en kijk je naar de blauwe hemel. Droom-tijd. Want op de achtergrond hoor je het klepperen van de lappen stof tegen het metaal. In de zwoele wind klepperen de lappen. In hun onaardse pastelkleuren. Het klepperen is het geluid van een droom die je vertelt dat het kan. Je ligt in het woestijnzand te luisteren naar de wind. Alles wat niet bouwen is, is pauze. Want er is slechts één ding dat je wil. De vliegmachine afwerken.

Er is maar één ding dat je wil.

(Ken je dat, dat je iets aan het bouwen bent dat je overstijgt?)

Als je dan klaar bent, meteen daarna, begint de machine te ronken. Het is een zacht, melodieus en glimlachend gegrom dat de wind kietelt. Hé, denk je bij jezelf. Je zet je inmiddels eeltige handen in je zij en fronst. Hé, denk je. Ik wist niet dat dat zo ging klinken. Meteen, meteen daarna vangt de machine lucht en wind. Voor je het weet, hangt ze al ettelijke centimeters boven het woestijnzand. En al ettelijke centimeters meer. Je haast je, met de opgetrokken broekspijpen van je werktenue, in je uitgerafelde, vuile hemd. Je haast je. Je spullen liggen nog in het zand. Hé, denk je, ik wist niet dat die zo gauw echt zou werken. Zo meteen laat de machine mij hier op de grond staan! Maar als je erheen rent, helt ze naar je over en kun je er zo in hoppen. Het is makkelijk. Want je hebt ze voor jezelf gemaakt.

Het is makkelijk.

Als de machine dan hoog en vlot de lucht ingaat, alsof het niks is, alsof het NIKS is, als je dan echt vliegt.

Dat is een bijzonder akelig moment.