Citaten

Lezen is reizen in andermans hoofd. Ik hou er ontzettend van, en doe het schandalig vaak. Regelmatig kom ik daarbij passages tegen die kleine ontploffingen veroorzaken in mijn geest. Daar kunnen vele redenen voor zijn. Ze komen heel dicht bij de waarheid. Of ze zijn ongelooflijk herkenbaar. Of ze zetten dingen ondersteboven en laten me geloven dat die zo ook kloppen. Of ze zijn gewoon hartbrekend mooi. Zulke passages wil ik hier graag delen. Misschien krijg je op die manier dezelfde ervaring als ik. Of een totaal andere. Elke bijzondere ervaring is goed, wat mij betreft.

boek

17 november 2016 – Bon Iver – ‘re: Stacks’

There’s a black crow sitting across from me
His wiry legs are crossed
He is dangling my keys, he even fakes a toss
Whatever could it be
that had brought me to this loss?

 

boek

12 september 2016 – Rainer Maria Rilke – ‘Letters to a young poet’

Have patience with everything that remains unsolved in your heart. Try to love the questions themselves, like locked rooms and like books written in a foreign language. Do not now look for the answers. They cannot now be given to you because you could not live them. It is a question of experiencing everything. At present you need to live the question. Perhaps you will gradually, without even noticing it, find yourself experiencing the answer, some distant day.

 

boek

22 juni 2016 – Nadine Gordimer – ‘Introduction, Selected Stories’ (uit Margaret Atwood- ‘On writers and writing’)

Powers of observation heightened beyond the normal imply extraordinary disinvolvement: or rather the double process, excessive preoccupation and identification with the lives of others, and at the same time a monstrous detachment… The tension between standing apart and being fully involved: that is what makes a writer.

 

boek

13 april 2016 – Andrew Miller – ‘Write’ (door Phil Daoust)

To slice up fiction into categories such as ‘plot’, ‘voice’, ‘point of view’, ‘characterization’, is to risk presenting it in a way that neither writer nor reader normally experiences it. The suggestion might seem to be that the writing of a story or a novel is a strongly segmented or layered activity, something orderly, dry and technical. But stories when they come, come in bloody organic gobs, as though gouged out of the living fabric of the world – character tangled with plot, plot with setting, setting with scraps of language embedded, and so on. But laying that aside, that large provisio, there are, I suppose, a few remarks that might be usefully attempted under the heading of ‘characterization’.

 

boek

2 januari 2016 – Pema Chödrön – ‘The places that scare you’

But for the first time in my life I had met a person who was not caught up, a person whose mind was never swept away. I realized that with guidance from him, this was also possible for me. I was drawn to him because I couldn’t manipulate him; he knew how to cut through people’s trips. I experienced that cutting through as threatening, but in a very refreshing way. Still it took me years to develop enough trust and personal maitri to surrender to the relationship completely. Moving closer to someone who is so dangerous to the ego takes time.

Either the relationship with a teacher evolves to a place of unconditional trust and love, or it doesn’t. We have to trust the process. In either case the relationship with a teacher encourages us to trust our basic wisdom. It teaches us to be steadfast with ourselves. In the warrior tradition it is said that both the teacher and the student are fully awake, that between the teacher and the student there can be a meeting of minds. The teacher’s role is to help the student realize that his awakened mind and the teacher’s are the same. At some point there’s an important change of alliance. Instead of always identifying with our neurosis, we begin to have confidence in our basic intelligence and kindness. This is a significant shift. Without developing this basic trust in ourselves, going further with a teacher is impossible.

 

boek

12 augustus 2015 – Marcel Proust – ‘De kant van Swann’

Vervolgens ging ik weer voor de meidoorns staan als voor kunst die je denkt beter te kunnen zien als je er even niet meer naar hebt gekeken, maar al maakte ik oogkleppen van mijn handen om niets anders voor me te hebben, het gevoel dat ze in mij opriepen bleef duister en vaag, vergeefs een weg zoekend om zich los te maken, om aan te sluiten bij hun bloemen. Ze hielpen mij niet het te verduidelijken, en andere bloemen kon ik niet vragen het te doen. Toen, mij de blijdschap bereidend die wij voelen als we van onze favoriete schilder een werk zien dat anders is dan wat wij kenden, of als we tegenover een schilderij komen te staan waarvan we tot dusver niet meer dan een potloodschets hadden gezien, of als een alleen op de piano gehoord stuk vervolgens voor ons opklinkt, verrijkt met de klankkleuren van het orkest, riep mijn grootvader me en zei, wijzend naar de haag van Tansonville: ‘Jij die zo van meidoorns houdt, kijk eens naar deze roze; mooi is die!’ Inderdaad was het een meidoorn, maar roze, mooier nog dan de witte. Ook deze was in feesttenue – voor het enige ware soort feesten, en wel godsdienstige feesten, immers daar wordt niet zoals bij mondaine feesten, al naar een toevallige impuls, een willekeurige dag voor gebruikt, een die er niet speciaal voor is bestemd, die niets essentieel feestelijks heeft – maar rijker nog, want de bloempjes, die zo dicht op elkaar aan de takken zaten dat ze, als de slinger van pompons rond een rococo herdersstaf, geen plekje onversierd lieten, waren “in kleur” en bijgevolg van de hoogste kwaliteit volgens de esthetiek van Combray, te oordelen naar het gamma der prijzen in het “warenhuis” op het Plein of bij Camus waar roze biscuitjes duurder waren. Ikzelf had een voorkeur voor roze roomkaas, die waarin ik aardbeien had mogen prakken. En deze bloempjes hadden nu juist het soort roze gekozen van dingen die je eet, of van een fijn garneersel op een japon voor een groot feest, en dat in de ogen van kinderen, doordat het hun de reden laat zien van het bijzondere ervan, het overduidelijkst mooi lijkt en daardoor voor hen altijd iets levendigers en natuurlijkers behoudt dan andere tinten, zelfs wanneer ze hebben begrepen dat ze de snoeplust niets te bieden hadden en niet waren uitgekozen door de modiste. En wel degelijk had ik meteen gevoeld, zoals bij de witte meidoorn, maar met grotere opgetogenheid, dat hier niet op een artificiële manier, niet met een kunstgreep van menselijke makelijk de feestelijke intentie in de bloemen werd vertolkt, maar dat het de natuur was die er vanzelf, met de naïveteit van een dorpswinkelierster, aan het werk voor een rustaltaar, uitdrukking aan had gegeven door de heester te overladen met die rozetten van een al te zacht kleurtje en met provinciale pronk. Hoog aan de takken, als evenzovele rozenstruikjes van het soort dat men in potjes verborgen in papieren manchetten op hoogtijdagen op het altaar hun slanke toortsjes liet afsteken, wemelde het van ontelbare kleine knoppen, lichter van toon, die wanneer ze half opengingen, als in een kelk van roze marmer bloedrode tinten te zien gaven en meer nog dan de bloempjes het speciale, onweerstaanbare wezen verrieden van deze meidoorn die overal waar hij uitbotte, waar hij in bloei kwam, dat alleen in het roze kon. In de haag ertussen gevoegd, maar net zo ervan verschillend als te midden van mensen in negligé die thuis zullen blijven een meisje in een feestjurk, kant-en-klaar voor de Mariamaand, waar hij al deel aan leek te hebben, zo schitterde en glimlachte in zijn nieuwe roze kledij de katholieke, verrukkelijke heester.

 

 

boek

17 januari 2015 – Douglas Adams – ‘So long, and thanks for all the fish’

Far out in the uncharted backwaters of the unfashionable end of the Western Spiral arm of the Galaxy lies a small unregarded yellow sun.
Orbiting this at a distance of roughly ninety-two million miles is an utterly insignificant little blue-green planet whose ape-descended life forms are so amazingly primitive that they still think digital watches are a pretty neat idea.
This planet has – or had- a problem, which was this: most of the people living on it were unhappy for pretty much of the time.
Many solutions were suggested for this problem, but most of these were largely concerned with the movements of small green pieces of paper, which is odd because on the whole it wasn’t the small green pieces of paper which were unhappy.
And so the problem remained; lots of people were mean, and most of them were unhappy, even the ones with digital watches.
Many were increasingly of the opinion that they’d all made a big mistake in coming down from the trees in the first place. And some said that even the trees had been a bad move and that no one should ever have left the oceans.
And then, one Thursday, nearly two thousand years after one man had been nailed to a tree for saying how great it would be to be nice to people for a change, a girl sitting on her own in a small café in Rickmansworth suddenly realized what it was that had been going wrong all this time, and she finally knew how the world could be made a good and happy place. This time it was right, it would work, and no one would have to get nailed to anything.
Sadly, however, before she could get to a phone to tell anyone about it, the Earth was unexpectedly demolished to make way for a new hyperspace bypass, and so the idea was lost, seemingly for ever.
This is her story.

 

Chapter 1

That evening it was dark early, which was normal for the time of year. It was cold and windy, which was normal.
It started to rain, which was particularly normal.
A spacecraft landed, which was not.

 

boek

7 november 2014 – Yann Martel – ‘Het leven van Pi’

Hier moet ik even iets over angst zeggen. Angst is de enige echte tegenstander van het leven. Alleen angst kan het leven eronder krijgen. Het is een sluwe, verraderlijke vijand, en ik kan het weten. Angst kent geen fatsoen, geen respect voor wetten of overeenkomsten, geen genade. De angst zoekt je zwakste plek en vindt die met onfeilbaar gemak. Het begint in je hoofd, altijd. Het ene moment ben je nog kalm, beheerst, gelukkig. Dan sluipt de angst, vermomd als onschuldige twijfel, als een spion naar binnen. De twijfel stuit op ongeloof, en dat ongeloof probeert de twijfel eruit te werken. Maar het ongeloof is een slecht bewapende infanterist. Daar maakt de twijfel zonder moeite korte metten mee. Je wordt zenuwachtig. De rede komt je te hulp. Je laat je weer geruststellen. De rede is uitgerust met de nieuwste technologische wapens. Maar tot je verbijstering wordt de rede verslagen, ondanks een superieure tactiek en een aantal onweerlegbare overwinningen. Je voelt dat je verzwakt, dat je krachten tanen. Je zenuwachtigheid slaat om in vrees.

Dan begint de angst aan je lichaam te vreten, dat al heeft gemerkt dat het helemaal de verkeerde kant uit gaat. Je longen zijn al als vogels weggevlogen en je darmen zijn als slangen weg gekronkeld. Nu ligt ook je tong als een opossum dood in je mond en je onderkaak begint als een razende pas op de plaats te maken. Je oren worden doof. Je spieren beginnen te bibberen alsof ze malaria hebben en je knieën gaan trillen alsof ze aan het dansen zijn. Je hart spant zich te veel in terwijl je kringspier zich juist te veel ontspant. En zo gaat het ook met de rest van je lichaam. Ieder onderdeel laat het afweten, op de manier die er het best bij past. Alleen je ogen doen het nog naar behoren. Die letten altijd goed op bij angst.

Snel neem je overhaaste beslissingen. Je laatste bondgenoten, hoop en vertrouwen, stuur je weg. Zo, nu heb je jezelf verslagen. De angst, die alleen maar een indruk is, heeft je overwonnen.

Het proces is moeilijk onder woorden te brengen. Want angst, echte angst die je tot in je diepste grondslagen doet trillen, zoals wanneer je oog in oog staat met het eind van je aards bestaan, sluipt als gangreen je geheugen in: die angst wil alles aanvreten, zelfs de woorden waarmee je erover spreekt. Daarom moet je jezelf desnoods dwingen om er uitdrukking aan te geven. Je moet je uiterste best doen om het licht van je woorden erop te laten schijnen. Want als je dat niet doet, als je angst een woordeloze donkerte wordt die je mijdt, die je misschien zelfs kunt verdringen, word je kwetsbaar voor nieuwe aanvallen van angst, omdat je een tegenstander die je heeft verslagen nooit helemaal vergeet.

 

boek

14 september 2014 – David Grossman – ‘Jij bent mijn mes’

Als ik kon, kocht ik voor jou een groot huis, enorm groot, genoeg voor je hele ziel, en  ik zou het volstoppen met al je kleine en grote en uitgehongerde dromen, tapijten en schilderijen en boeken en een heleboel snuisterijen, klein en groot, die ik over de hele wereld vandaan voor je had meegebracht, beeldjes van vogels en grote vazen van blauw Hebronglas en enorme potten voor augurken en sierlijk omrande spiegels en lampen uit China en filigrein. En ik zou heel veel ramen laten maken in dat huis, open en vol licht. Zonder tralies en rasters, met glas-in-lood in alle kleuren.

 

boek

13 augustus 2014 – C.G. Jung – ‘Psychology and alchemy’

In the last analysis every life is the realization of a whole, that is, of a self, for which reason this realization can also be called “individuation”. All life is bound to individual carriers who realize it, and it is simply inconceivable without them. But every carrier is charged with an individual destiny and destination, and the realization of these alone makes sense of life. True, the “sense” is often something that could just as well be called “nonsense”, for there is  a certain incommensurability between the mystery of existence and human understanding. “Sense” and “nonsense” are merely man-made labels which serve to give us a reasonably valid sense of direction.

 

boek

5 juli 2014 – Andrew Davidson – ‘The gargoyle’

I lay in that bed with my thick pressure suit pressed up against her thin nakedness, aware that I should have been enjoying our closeness. But I wasn’t; I was contemplating why her body affected me as powerfully as it did. I had spent much of my adult life in the company of naked women – it had been my job during the day, and my hobby at night – but with Marianne Engel it had always seemed different. It was different.

There are many possible explanations for my discomfort. Perhaps her body had a greater effect than that of other women because I actually cared for her. Perhaps it was because for the first time in my life, as a result of my penectomy, I could not dismiss the woman’s body by conquering it. Perhaps my feeling was simply pheromonal. All these theories are plausible, and to some extent perhaps all are valid, but on that Christmas Eve, lying beside her unable to sleep, I worked it through. The principal reason, I believe, that her body so thrilled mine was this: her body affected me as if it were not only human, but also as something that approached memory and ghost.

The first time that I had seen her body, fully, was in the burn ward when she had undressed to show her tattoos. The sight made me aroused and bashful, and when I ran my fingertips over the plumage of her angel wings her body trembled and, in return, trembled my heart. At the time, I did not understand why I felt the way I did, but in the many months that had passed, I had grown into the realization that it was because my fingers felt not as if they were visiting her body for the first time but as if they were returning to a familiar location. I did not understand this until I saw how, when Marianne Engel gave me my first bath in the fortress, she had reached out to touch my body as if it were hers to touch. She moved her arm just as I had reached towards her winged back that first time. It was as if the other’s flesh was already owned, and the reaching hand belonged to a master who had been long absent and was now returned. When I had touched her that first time, it did not feel like the first time I had touched her.

Now, in the bed next to her on this Christmas Eve, her body retained that effect upon me. When I lay beside her, it was as if I were meant to be there, as if my body had rested against hers thousands of times before. So it felt as if I were lying not next to a person, but next to the memory of a person, while at the same time that memory was undergoing a transformation into something even less material. Her body was all too human in its ravagedness, but it also struck me as an entity becoming ghost, as if in her thinness she were slipping into something less than solid. I ran my fingers across her bumpy ribs and traced the gaunt hill of the pelvic bone that overlooked her stomach. Her body, whose flesh and memory had always confused and excited, still felt as if it belonged to me but also as if it were disappearing. It was not only that she was losing substance as she worked, it was as if she were working to lose substance; as if it were not only the gargoyles that were backwards art, but also the artist herself, progressing to a state in which they were both less and more than the material from which they started.

So this is how her body – flesh, memory, and ghost – disarmed me.

 

boek

8 juni 2014 – Nick Hornby – ’31 Songs’

Such is pop music’s current tyranny that it must be almost impossible for kids to think that major artists are speaking directly and intimately to them – how is that possible, when those same artists are speaking to everyone who buys peppermint foot-lotion, or eats at Pizza Hut? The simplest retort to this ubiquity is to listen to and learn to like music that is essentially dislikeable, stuff that would bring the Starbucks compilation people to their knees begging for mercy. You can’t sell peppermint foot-lotion with death metal of obscene gangsta rap; you can’t use electronic hardcore to entertain passengers waiting for a plane to take off.

So that’s the kids sorted: they can listen to stuff that will make their ears bleed and turn their souls black, and good luck to them. But what about us? What can I connect to that I’m not going to get sick of whitin weeks, that isn’t going to have its melodic weakness and lyrical banalities exposed by a Renault ad? It seems to me that, for my generation, country music serves the same function as death metal does for people thirty years younger: a pedal steel and a waltz time can still strike fear in the hearts of the timid. Country music is too embarrassingly sincere, too respectful of the past, to be absorbed into the year zero of boutique hotel lobbies; all the alt-country bands of the last few years retain just enough soil on their boots to deter most of the people who want to believe that the world is permanently shiny and new. And there will be other musical bywaters and back alleys too – singer-songwriters whose voices are too croaky and whose lyrics are too morose for commercial consumption, bands who want to combine the attitude of the 13th Floor Elevators with Neil Diamond’s melodic sensibilities – so it’s not like we’ll have to eat country for the rest of our lives; but God knows we need something that isn’t going to come apart in our ears through sheer overuse.’

 

boek

19 april 2014 – Walt Whitman 

 

Here the frailest leaves of me

Here the frailest leaves of me and yet my strongest lasting,

Here I shade and hide my thoughts, I myself do not expose them,

And yet they expose me more then all my other poems.

 

boek

9 maart 2014 –  Virginia Woolf – ‘The Waves’

When I heard you cry I followed you, and saw you put down your handkerchief, screwed up, with its rage, with its hate, knotted in it. But soon that will cease. Our bodies are close now. You hear me breathe. You see the beetle too carrying off a leaf on its  back. It runs this way, then that way, so that even your desire while you watch the beetle, to possess one single thing (it is Louis now) must waver, like the light in and out of the beech leaves; and then words, moving darkly, in the depths of your mind will break up this knot of hardness, screwed in your pocket-handkerchief.

 

boek

22 februari 2014 – Richard Ford – ‘Canada’

Wat mij vooral boeit is dat kruipen naar het punt waarop je niet meer terug kunt: je bent de hele weg aan het babbelen, je wisselt vertrouwelijkheden uit, je zegt iets liefs, want officieel is alles nog goed. Ze hadden nog niets misdaan. Stel, je zit op een vlot en drijft de zee op, het streepje land wordt allengs kleiner en toch blijft alles normaal; of je hangt onder een ballon boven de prairie en je ziet steeds meer land, steeds minder diepte en detail, en toch blijft alles normaal. Dingen blijven ontzettend lang normaal. Je ziet dingen veranderen of je ziet het niet.

Follow by Email
Facebook
Google+
http://www.sharmilamadhvani.be/citaten/
Twitter
SHARE