Vallen

Geef het toe.
Sta daar niet zo, zo met alles op zijn plaats. Gedachten gerangschikt, als dames aan de koffie. Gevoelens in de daartoe voorziene banen. Kabbelend of stromend, naargelang de gepaste gelegenheid.
Stop daarmee. Heel even. Gewoon om mij een plezier te doen. Om me een pauze te gunnen, als het ware.
Geef het gewoon toe. Please, please, geef het toe.
Dat het deugd doet om te vallen. Dat het deugd doet, zoals niets anders ter wereld deugd kan doen.
Het moment waarop het lichaam zijn balans verliest. De versnelde zwaai. Het plotse inzicht dat je het nooit meer haalt. Dat het totaal niet meer te redden is. Niks van de hele santenboetiek. Dat moment is zo echt. Zo waar. Zo onvergelijkbaar gelukkig makend.
Alles wat voorheen sliep, wordt abrupt wakker. Alle gedachten en gevoelens wervelen als vrije voetzoekers om je heen. In evenzoveel kleuren als het universum zelf.

Ook dit (voor jou)

Natuurlijk is er ook dit. Verdriet. Dacht je van niet, dan? Mijn fout. Dat doe ik, soms. Maar als het komt, krul je dan op. Ga liggen. Als een kind. En wacht. Terwijl de zwarte regen over je heen valt en de donkerte aan je komt ruiken. Ik weet het. Scherpe tanden, zo dichtbij. Maar blijf liggen.
Wacht, nu.
Het kan lang duren.
Het menselijke hart glijdt zo makkelijk naar beneden.
Wacht. Stil, stil.
Neen. Niet op die manier. Kijk niet weg. Dan komt het achter je aan. Het is een jager. Wist je dat? Kijk niet weg. Leg je armen niet over je ogen. Probeer niet te glimlachen. Tenzij je dat kan zonder je blik af te wenden. Maar dat is moeilijk. De mond wil niet meer mee, soms.
Neen. Blijf maar gewoon liggen.

Stil, stil. En nog. En nog. En nog. Op die manier zal het je vergeten, na een tijd. Zodat je weer kan ademen. En zodat je niet meer weet hoe het was. Toen het er was.